Opening excerpt
Hermaphrodisie en Uranisme
—1900
Zeer gewenschte toehoorderessen en toehoorders,
Drie redenen zijn er, waarom ik juist dit onderdeel der natuurwetenschappen heb uitgekozen om hedenavond met U te bespreken, al kan die bespreking—om de groote uitgebreidheid van het onderwerp—niet dan zeer onvolledig zijn en ik mij—om den beperkten tijd, waarover ik kan beschikken—zal moeten bepalen tot het slechts in groote lijnen aangeven der omtrekken en zoovele en belangrijke détails zal moeten laten rusten.
Is dit, omdat men het onderwerp van te weinig gewicht acht? Of is het uit overmatige kuischheid? Want zoodra er over dit onderwerp wordt gesproken, steekt een, ik zou haast zeggen pathologische, kuischheid haar hoofd op. Als bewijs daarvan diene, dat, toen ik eenige jaren geleden een opstel over het uranisme aan een medisch tijdschrift hier te lande had gezonden, ik het terugontving met een begeleidend schrijven, waarin te lezen stond, „dat de Redactie voor dìt onderwerp geen plaats wilde afstaan”. Als een ander bewijs van die kuischheid diene, dat men iemand die over het onderwerp schrijft of spreekt, als iemand betitelt, „die het goed recht van het bestaan van „gruwelen”
De tweede reden is, dat in den laatsten tijd het vraagstuk meer op den voorgrond is geschoven. Ik behoef U slechts te wijzen op het geval, door de onbescheidenheid van sommige dagbladen met naam en toenaam aan het licht gebracht, van een beeldhouwster, die hier in Amsterdam werkte en die plotseling van sexe is veranderd en nu als beeldhouwer in het buitenland vertoeft; ik behoef U slechts het proces-Moltke contra Harden te noemen, dat kort geleden in Berlijn is afgespeeld; ik wil U wijzen op de twee rechtzaken hier in de laatste jaren behandeld, waarbij de aangeklaagde beschuldigd werd onzedelijke homosexueele handelingen met minderjarigen te hebben gepleegd.
Als rechter kan het U worden opgedragen in zulk een geval te oordeelen. Gij kunt als verdediger worden aangewezen om een beklaagde in zulk een geval bij te staan, evengoed als de geneesheer kan worden geroepen om in zulk een geval hulp en raad te geven. Wanneer ik bedenk in welke moeilijkheid ik zelf heb verkeerd, toen—kort nadat ik als geneesheer gevestigd was—de zoon van een mijner patienten tot mij kwam om raad en hulp en ik geheel onvoorbereid wat het onderwerp betreft, gedwongen was hem te helpen—hij is dan ook de oorzaak geweest, dat ik met de studie er van ben begonnen en dat ik mij er in heb verdiept—dan voel ik het mijn plicht U, als het maar eenigszins kan, voor deze moeilijkheden te vrijwaren en U eenig inzicht in het onderwerp te geven, opdat Gij er misschien later gemakkelijker verder in kunt doordringen. Men heeft altijd gemeend—en zelfs nu nog denken de meeste menschen er niet dieper over na—dat het even gemakkelijk is het onderscheid tusschen den homo sapiens masculinus en den homo sapiens femininus te beschrijven, als het door het verschil in kleeding tusschen de beide sexen aangegeven wordt.
Dit nu is niet het geval en het is zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk, een eigenschap, een eigenaardigheid aan te toonen, die zóó specifiek bij de eene sexe voorkomt, dat zij bij de andere sexe niet te vinden is. Alle eigenaardigheden en eigenschappen, die men tot nu toe als specifiek voor de eene sexe heeft aangezien, vindt men terug of heeft men bij de andere sexe teruggevonden. Hoe meer de onderzoekingen der anthropologen worden uitgebreid, des te meer komt men tot de ontdekking, dat men zich in die eigenschappen heeft vergist of dat men er een te fantastische beteekenis aan heeft gehecht. De vorm van het bekken b.v. dien men zelfs tot nu toe als een specifiek verschilsteeken tusschen de beide sexen heeft beschouwd, is gebleken niet zoo betrouwbaar te zijn.
Men meent, dat een steil, nauw bekken aan den man eigen is, een wijd plat bekken alleen bij de vrouw voorkomt. Verschillende onderzoekers nu hebben aangetoond, dat men bij Arabische vrouwen en bij de vrouwen van sommige wilde stammen, wanneer men haar van achter beschouwt, onmogelijk door den vorm van het bekken kan uitmaken of men een man of wel een vrouw voor zich heeft. De hand heeft een tijdlang als het verschils-kenteeken voor man en vrouw gegolden. Pfitzner de anatoom heeft eenige honderdtallen van mannen- en vrouwenhanden onderzocht en heeft geen enkel teeken kunnen aangeven, dat niet zoowel aan de vrouwenhand als, in andere gevallen, aan de mannenband eigen kan zijn.
Wanneer wij dus de eigenschappen en eigenaardigheden van de beide sexen willen bestudeeren, zijn wij gedwongen ons te houden aan wat bij de overgroote meerderheid der beide sexen voorkomt. En dan kunnen wij de verschillende eigenschappen, behalve in de twee groote groepen van primaire en secundaire geslachtskenmerken, verdeelen in vijf afdeelingen:
End of the opening
The full book continues with a subscription. We are setting the last titles now — the reader opens soon.
The reading room